Grooters Family Tree


Geninfo4.htm

Bijzondere scholen in Goor

Maar weinig Gorenaren weten dat Goor kostscholen heeft gekend. Het waren bijzondere scholen in meer dan n betekenis.

Op 19 augustus 1841 ontvangt burgemeester Gtte van Goor een brief van een zekere Frans Beudeker, geboren op 7 april 1815 in Amsterdam. Beudeker vraagt "speciale admissie" (toestemming) tot het "oprigten eener dag- en kostschool waarin onderwijs gegeven zal worden in de Nederduitsche-, Fransche-, Engelsche- en Hoogduitsche talen, het kunstmatig lezen, het schoonschrijven, de reken-, stel-, meet-, aardrijks-, natuur- en werktuigkunde, de algemeene en vaderlandsche geschiedenis, de fabelkunde, het Italiaansch boekhouden en het kaartteekenen."

De burgemeester schrijft op 31 augustus een brief aan de schoolopziener. Deze wordt gevraagd "inlichtingen en bedenkingen over deze zaak op te geven". Deze gegevens worden al op 4 september ontvangen. Burgemeester en assessoren (de latere wethouders) stellen op 15 september Beudeker op de hoogte met daarbij het verzoek "dezelve in overweging te nemen en zijn welmeenen hieromtrent mede te deelen". Beudeker reageert op 24 september bevredigend. De kwestie komt 4 oktober in de gemeenteraad. Behalve burgemeester Gtte zijn aanwezig de assessoren H. Koning en G. J. H. ten Doesschate, en de leden van de raad G. J. Modders. W. Jalink en G. C. Arntzenius.

De raad blijkt niet ongenegen. te zijn aan het verzoek vn Beudeker te voldoen. Weliswaar is hij nog niet in het bezit van de acten Fransche-, Engelsche en Hoogduitsche talen, maar in deze maand nog zal hij een examen in de Fransche taal en binnen het jaar in de overige twee talen afleggen. Bovendien verplicht hij zich, zolang hij de acten nog niet in zijn bezit heeft, een ondermeester aan te trekken, die wl gediplomeerd is. Voorts "zag hij zich bereids in staat gesteld een niet onaanzienlijk aantal kostleerlingen naar herwaarts mede te brengen". Dat was mooi meegenomen, vonden de vroede vaderen.

Van belang wordt verder geacht dat, hoewel "er hier eene goede openbare lagere stadsschool bestaat, zich echter de wensch van de meer bemiddelde Ingezetenen dezer gemeente blijft openbaren tot de oprigting eener instelling alwaar hunne kinderen, middelbaar onderwijs kunnen ontvangen en deze aangebodene onvoorziene gelegenheid zoowel in het bijzonder als algemeen belang der gemeente kan worden geacht". Al deze zaken in overweging nemende besluit de Raad met eenparigheid van stemmen Beudeker toestemming te geven "tot het oprigten eener bijzondere school der 2e klasse binnen deze gemeente". Hoewel Gedeputeerde Staten in eerste instantie nog even dwars gaat liggen, wordt na enig heen en weer geschrijf op 18 november 1842 de vereiste vergunning ontvangen. Beudeker is al op 5 november in Goor komen wonen. Ook de Gouverneur van de provincie Overijssel maakt geen bezwaar; Op 1 februari 1841 gaat de Fransche kost- en dagschool, ongetwijfeld de eerste bijzondere school in Goor, van start. Waar stond die school? Onderzoek in het gemeentelijk archief toont aan dat in het toenmalige pand Hengevelderstraat 182 blijkens de lijsten van de volkstelling in 1839 woonde Augustinus van Delden, logementhouder. Op de lijst van 12 augustus 1845 vinden wij de naam Van Delden doorgehaald -alsmede de namen Baron van Hugenpoth en E. F. Rothwell (zegt iemand dze uitheemse namen iets?)- en als nieuwe bewoners worden vermeld E. Beudeker en J. H. ter Kuile, deze laatste ongetwijfeld de ondermeester of secondant. De Fransche kost- en dagschool zal dus begonnen zijn in een voormalig logement, dat m.i. gestaan moet hebben ongeveer op de plaats waar zich thans de zaak van de heer Oldenhof bevindt. Burgemeester Gtte woonde 2 huizen verder. Hoewel de school er kwam "buiten eenig bezwaar van het schoolfonds, of andere bestaande inkomsten, hetgeen geheel en al ter beschikking blijft voor het onderwijs op de openbare stadsschool", vraagt Beudeker op 7 juni 1842 al om eenige subsidie uit de gemeentekas, hetgeen hem met meerderheid van stemmen door de Raad verstrekt wordt "als een blijk van belangstelling in de onderneming". Hij kan bij de gemeente-ontvanger f 75.- in ontvangst nemen. Op 1 februari 1850 ontvangt het gemeentebestuur een brief van Beudeker, waarin deze mededeelt, dat hij Goor zal moeten verlaten in verband met de dood van zijn vader. Hij dringt er bij het gemeentebestuur op aan, "dat aan de school een vaste jaarlijkse toelage verstrekt zal worden, teneinde het voortbestaan van het instituut zoowel in het belang van de ouders, welke kinderen hebben als in het indirecte belang van de gemeente zelve". De burgemeester overlegt dan een lijst van 10 ingezetenen, die zich verplichten gedurende 5 jaar een gift aan de school te geven, te samen f 39.50 per jaar. De gemeente zal dit bedrag "aanvullen tot f100.-".De school wordt dan verder voortgezet door Simon Hendrik Floris van der Noordaa, die enige jaren daarvoor de reeds genoemde J. H. ter Kuile als ondermeester opgevolgd was. Op 4 maart 1854 dient Van der Noordaa bij het gemeentebestuur zijn ontslag in. Er zijn echter inmiddels 2 sollicitaties binnengekomen naar de betrekking van onderwijzer en wel van J. B. Grooters en W. J. van Gorkum. Eerstgenoemde wordt met 3 tegen 2 stemmen gekozen tot onderwijzer aan de Bijzondere Fransche dag- en kostschool voor jongens, zoals de school nu officieel heet. Met de nieuwe schoolmeester komt nu ook een nieuw schoolgebouw. Nadat Van der Noordaa de school in de Hengevelderstraat op 8 maart 1854 heeft gesloten, heropent Jan Berend Grooters, geboren op 16 december 1816 in Winterswijk, hem en wel in het pand Grootestraat 38, op de plaats waar zich momenteel de oude zaak van de firma Rouweler en de handwerkzaak van mej. D. Tijdink bevinden.

Grooters, die weduwnaar was van Margaretha Henritte Lambrechts, had uit dit huwelijk 2 dochters, Luisa Geertruida en Willemina Amozina. De alleroudsten onder ons herinneren zich nog de dames Grooters: moeder en dochter Luisa Geertruida. Bij de geboorte-aangifte van de beide dochters is n van de beide getuigen, buurman Dorus Warmink, zadelmaker, telg van bekende Goorse familie. Uit zijn 2e echt met Cornelia Jahanna Prinzen wordt op 6 februari 1869 dochter Petronella Jacoba geboren, die echter reeds op 22-jarige leeftijd sterft.

Het gemeentebestuur ontving In 1854 een brief van Magdalena Zijtsema, geboren 28 maart 1804 te Amsterdam. Zij vraagt daarin benoemd te mogen worden tot onderwijzeres aan de "jonge jufvrouwenschool" in Goor. De gemeenteraad wil waarschijnlijk niet discriminerend optreden tegen de vrouwelijke bevolkingsgroep en benoemt mej. Zijtsema Inderdaad tot onderwijzeres aan een op te richten bijzondere Fransche dag- en kostschool voor meisjes.
Zij begint haar school in het pand Grootestraat nr. 103, later rit. 81. Het is mij - nog niet duidelijk geworden of het hier om twee verschillende panden gaat, of dat er sprake is van omnummering en zij steeds in n er hetzelfde pand school gehouden heeft. Ondanks verwoede pogingen er achter te komen, weet ik niet, waar de school precies gesitueerd moet worden.

Goor bezit nu dus twee bijzondere scholen. Om hoeveel leerlingen gaat het? In 1860 blijken op de Jongens-school 20 leerlingen les te krijgen en op de meisjesschool welgeteld 5. De beide instellingen ontvangen elk een jaarlijkse gemeentesubsidie van f 100.-terwijl de gemiddelde bijdragen van de leerlingen ongeveer f 30.- per Jaar zijn. Een vetpot zal het dan ook niet geweest zijn. Dat kan de reden zijn. dat Grooters van de Jongensschool op 22 december 1858 bij de kerkeraad van de hervormde gemeente Goor solliciteert naar de post van voorzanger in de kerk, teneinde "als man en vader op een gepaste wijze in de behoeften van mijn gezin te voorzien".

Op 22 december 1860 vraagt Mej. Zijtsema eervol ontslag als onderwijzeres aan haar school, hetgeen haar wordt verleend. liet gemeentebestuur besluit dan voorlopig niet in de vakature te voorzien, waardoor Goor een meisjesschool armer wordt. Naar aanleiding hiervan gaan b en w er mee akkoord, dat per 30 Januari 1861 de Bijzondere Fransche dag- en kost-school voor jongens vervalt en wordt vervangen door een Bijzondere school voor gewoon- en meer uitgebreid lager onderwijs, een gemengde school. In de tweede helft van 1861 bedraagt het leerlingenaantal 19 Jongens en 5 meisjes.

Grooters is inmiddels ook avondlessen gaan geven, die door zo'n 17 leerlingen worden bijgewoond. Waarschijnlijk uit zuinigheidsoverwcgingen gebeurt het nog wel eens, dat de lessen zonder verlichting worden gegeven. Grooters is het volkomen met b en w eens, dat "waar het onderwijs voor belde geslachten tegelijk plaatsvindt, daarop inzonderheid dient te worden gelet" Hij vervolgt in een verweerschrift aan het college dat de jongelui nog wel eens vragen de lamp niet aan te steken en dat hij daar uiteraard niet op ingaat. "Doch wijl het donderdag nogal helder weer was, zeide ik: ,,Jongelui, wij zullen wat vroeger beginnen, vlug gewerkt en dan zonder licht eindigen''. Zoo gezegd, zoo gedaan. Tot ruim 6 ure hebben de leerlingen - ik mag zeggen - flink praktisch op de leien gecijferd, en toen heb ik de grootste jongelui en mijn Secondant de kleinste een kwartieruurs uit het hoofd laten rekenen - iets dat hoogst nuttig is - vervolgens hebben wij, tot eene repetitie, de liedjes van 't jaar 1863 (op 't halve eeuwfeest van Nerlands verlossing) gezongen, dat uit ambitie van de jongelui tot over de gewone schooltijd gerekt werd; daarop had het gebed of liever, de dankzegging plaats en nu verzocht ik de jongelui geregeld bank voor bank heen te gaan, terwijl mijn secondant zich aan de buitendeur plaatste en ik bij de kapstokken ging staan, omdat allen in geregelde orde het schoollokaal verlieten". Hij beklaagt zich in de brief "dat er In de Gemeente zijn, die mij niet meer genegen schijnen - min of meer gevaarlijke personen, voor wie waarheid, oprechtheid woorden van luttele betekenis blijken te zijn". En hij vervolgt: "In gernoede mag ik beweren, dat ik het mij tot een duren plicht reken - wat kinderen of ouders dan ook zeggen mogen - er bij mijne leerlingen steeds met kracht er naar te streven om hen tot werkzaamheid, orde, netheid, waarheid en liefde (er bestaat helaas zoo veel leugen en bedrog en flikvlooierij) en meer andere - zoo hoogst noodige eigenschappen buiten het eigenlijke onderwijs - aan te sporen om hen alzoo tot brave, oppassende, bekwame en bijgevolge nuttige Leden der Maatschappij te vormen".

Of het komt, &quote;dat er in de Gemeente zijn, die Grooters ,,niet meer genegen schijnen''" weet ik niet, maar in de raadsvergadering van 10 november 1868 komt het raadslid Zigeler met de stelling, "dat het hoogst noodzakelijk is, dat er weer een inrigting van onderwijs voor meisjes" komt. Naar aanleiding daarvan wordt een commissie Ingesteld om e.e.a. te onderzoeken. Deze commissie komt tot de conclusie dat Grooters, wil hij over 1869 weer voor de volle gemeentelijke subsidie in aanmerking komen, verplicht zal zijn in plaats van n, twee lokalen in te richten en wel n voor jongens en n voor meisjes. Bovendien zal hij voor het mclsjesonderwijs een onderwijzeres moeten zoeken.

Grooters heelt grote bezwaren, hetgeen niet zo verwonderlijk is, want deze eis gaat hem geld kosten. Hij stelt het gemeentebestuur voor, om, als het absoluut niet anders kan, zijn subsidie te verlagen met f200.- en te brengen op f400.- en hem te ontslaan van de verplichting er een hulponderwijzer of kwekeling op na te houden. Na diverse, soms verhitte debatten in de gemeenteraad, wordt op 20 augustus 1869 besloten Grooters een jaarlijkse subsidie van f300.- te geven, terwijl er een aparte school voor meisjes gaat worden opgericht.

Op 25 oktober 1869 wordt Anna Maria Temminck tot onderwijzeres benoemd. Goor bezit derhalve vanaf 1 januari 1870 weer twee bijzondere scholen. De school is gevestigd In het pand Grootestraat nr. 237, maar helaas weet ik ook nu niet, waar dat precies was. Eind 1870 bedroeg het aantal leerlingeti aan de dagschool van Grooters 18 en aan de avond-school 17, terwijl Mej. Temminck 10 leerlingen had. De leerlingen kwamen uit het gehele land; uit Almelo. Kampen, Eysden, 3 zusjes zelfs uit Soerabaya, Wijk bij Duurstede, Amsterdam, Steenwijk, Utrecht, Soest en Weesp.

Op 15 oktober 1879 komt de gemeenteraad bijeen "overwegende dat het noodzakelijk is, dat in deze gemeente worde opgerigt een openbare school voor lager en meer uitgebreid lager onderwijs voor jongens en meisjes". De raad besluit 1 januari 1880 tot oprichting over te gaan. De gemeentelijke subsidies aan de beide bijzondere scholen zullen per genoemde datum worden gestopt. De dames Grolle heffen hun school op en worden belden benoemd tot onderwijzeres aan de nieuwe school. Grooters blijft - zonder subsidie- nog doorgaan met zijn school. Hoe lang nog Is precies niet te zeggen, maar het zal niet zo lang meer geweest zijn; op 18 september 1878 reeds vertrok de laatste inwonende leerling.

Als hooldonderwijzer aan de openbare school wordt benoemd Albert Mannus Borren. Deze trouwt met de jongste dochter van Grooters, Willemina Amozina. Grooters schijnt niet de eerste de beste geweest te zijn In de onderwijswereld. Hij was medewerker aan de "nieuwe spelling" De Vries en te Winkel, terwijl in mijn bezit is "Nederlandsche Spraakkunst met practische oefpnlngen door J. B. Grooters, Kostschoolhouder te Goor". Het is een uitgave uit 1872 door Tjeenk Willink in Zwolle.

Jan Berend Grooters overleed op 4 januari 1900 in zijn woning Grootestraat 221.

G. J. GEERTS

(Overgenome uit Goorse courant)